Organische bemesting voorkomt schaarste

 

De bodem zorgt voor onze mineralen

Groenten, fruit en noten bevatten mineralen. Welke mineralen en hoeveel van elk, verschilt van soort tot soort en per deel van de plant. Maar het meest is het mineralengehalte in de groente afhankelijk van de kwaliteit van de bodem. Door jarenlang van dezelfde plek te oogsten, kan een mineraal ‘op’ raken en wat er niet is kan de plant niet opnemen.


Planten kunnen zelf wel koolhydraten, vetten en eiwitten maken, maar geen mineralen. Ze moeten deze opnemen uit de bodem. Als men jarenlang op dezelfde plek teelt en onvoldoende mest, kunnen bepaalde mineralen schaars worden. Ze zitten dan niet meer in de planten en we krijgen ze niet meer binnen met de voeding. Veel organische mest kan dit probleem voorkomen. Ons lichaam bestaat voor slechts vier procent uit mineralen, maar zijn ze wel noodzakelijk voor het leven. Er zijn ongeveer twintig verschillende soorten mineralen aanwezig in mensen, dieren en planten. Sommige zijn relatief veel aanwezig, sommige weinig. De mineralen waarvan we er veel nodig hebben, noemen we macro-elementen. De mineralen waarvan we er slechts weinig nodig hebben, heten sporenelementen.

 

Macro-elementen

Voorbeelden van macro-elementen zijn calcium (kalk), fosfor, kalium, magnesium, natrium en zwavel. Deze zijn allen aanwezig in verse groenten, fruit en noten, maar de hoeveelheden verschillen per soort plant en per onderdeel van de plant. Calcium vinden we vooral in spinazie, boerenkool, koolrapen, snijbieten en peulvruchten. Fosfor zit met name in granen, peulvruchten en noten. Kalium komt veel voor in snijbieten, wortels, bieten, aardappelen, broccoli en spruitjes. Magnesium is aanwezig in alle groene delen van de plant maar ook in noten en aardappelen. Natrium is in ruime mate aanwezig in alle groenten, fruit, noten en zaden. Zwavel komt relatief veel voor in peulvruchten en noten. Zit een macro-element onvoldoende in de bodem, dan krijgt zowel de plant als de consument een tekort. Bij de plant uit dit tekort zich meestal als een gebreksziekte bijvoorbeeld gele bladeren bij gebrek aan magnesium of neusrot bij tomaten bij gebrek aan calcium.

 

Sporenelementen

Voorbeelden van enkele sporenelementen zijn ijzer, jodium, koper, mangaan, selenium, silicium en zink. Deze mineralen zijn ook in alle groenten, fruit en noten aanwezig, maar in kleinere hoeveelheden. IJzer zit relatief veel in groene delen van de plant, met name in spinazie en snijbiet maar ook in zwarte bessen, aardbeien en tomaten. Groenten, fruit en noten die op een jodiumrijke bodem groeien, bevatten jodium. Koper zit met name in peulvruchten en druiven. Mangaan zit het meest in zwarte bessen, aardbeien, erwten, kool, courgettes, walnoten en kastanjes. Selenium komt relatief veel voor in ui en knoflook. Een goede bron voor silicium zijn granen. Zink vinden we relatief veel in zwarte bessen, erwten, courgettes, aardappelen, maïs en walnoten. Een tekort aan een sporenelement maakt de plant minder weerbaar tegen ziekten en plagen maar hoeft niet altijd zichtbaar te zijn.

 

Rijke organische bemesting geeft een hoog mineralengehalte in groenten